‘Halverwege de zestien ben ik nu. Je begrijpt; er is weinig wat ik niet gezien, gedaan, gevoeld, gedacht, gekreund of gekotst heb. Wereldwijs als ik ben, heb ik de Waarheid al lang ondervonden: jongens doorgronden is deprimerend simpel. Tijdenlang heb ik, net als ieder ander meisje, wanhopig hun gedrag kapotgeanalyseerd. Vooral als het iets slechter ging, werd elke beweging, elke zin en elk sms’je van mijn doelwitten aan een uitgebreid onderworpen. Het liefst besprak ik de steeds schevere conclusies met een voltallige jury aan vriendinnen. Totdat ik erachter kwam dat piemelbezitters al tevreden zijn met een warm holletje voor de lust en een koud pilsje voor de dorst. En om ze daarvoor te lokken, heb je alleen een gevuld behaatje nodig.’






